Waterkwantiteit
A Inleiding
Klimaatsontwikkelingen vragen om belangrijke beslissingen, zodat we ook op de langere termijn kunnen blijven beschikken over voldoende schoon water. De Europese Kaderrichtlijn Water verlangt bovendien dat er tijdig een afdoende waterkwaliteit is gerealiseerd.
Waterkeringen in Zuid-Holland (bron: rapport WaterStand, 2011; RWS Zuid-Holland) De primaire waterkeringen zijn voornamelijk in beheer bij regionale diensten van Rijkswaterstaat en de waterschappen. Zo omvat het beheergebied van waterschap Hollandse Delta zeven dijkringen met een totale lengte van bijna 350 kilometer primaire waterkering. Het merendeel van deze keringen is direct waterkerend. Verder ligt 52 kilometer waterkering niet direct aan buitenwater.
Beweegbare keringen
Ook zijn er beweegbare keringen. Hiervoor gelden specifieke veiligheidsnormen. In de Rijn-Maas¬monding beheert Rijkswaterstaat dienst Zuid-Holland de volgende kunstwerken:
- de Maeslantkering
- de Hartelkering
- de Hollandsche IJsselkering
- de Haringvlietsluizen
- de Volkeraksluizen
- de Biesboschsluis
- de Wilhelminasluis
De locatie van deze 6 keringen en 2 schutsluizen (Biesbosch-en Wilhelminasluis) is hieronder weergegeven.

Figuur 9.1. Rijn-Maasmonding met ligging van de waterkerende kunstwerken
Maeslantkering, Hartelkering en Hartelsluis
De Maeslantkering en de Hartelkering zijn de beweegbare keringen in het Europoortgebied. Zij beschermen de Rijn-Maasmonding tegen hoge waterstanden vanuit zee. Om dit te bereiken, hanteert Rijkswaterstaat als sluitcriterium een verwachte waterstand bij Rotterdam van NAP+3,00 m en/of een verwachte waterstand bij Dordrecht van NAP+2,90 m. De Maeslantkering en de Hartelkering vallen onder het beheer van Rijkswaterstaat. Zij worden altijd aangestuurd door het Beslis en Onder¬steunend Systeem (BOS). ProBo is een (risico gestuurd) beheer- en onderhoudsmethodiek waarmee een stormvloedkering daarnaast zodanig wordt onderhouden dat een minimaal vereiste faalkans (de ‘faalkanseis’) aantoonbaar behaald wordt.
De dagelijkse bediening van de Hartelsluis (en Hartelbrug) wordt verzorgd door het Havenbedrijf Rotterdam. Tijdens het stormseizoen (1 oktober tot en met 15 april) staat de sluis echter in water¬kerende toestand. Het BOS blokkeert het besturingssysteem van het Havenbedrijf tijdens een operationele situatie van de Hartelkering automatisch. Rijkswaterstaat neemt dan het beheer van de sluis tijdelijk over van het Havenbedrijf.
Haringvlietsluizen
Het complex ‘De Haringvlietsluizen’ bestaat uit 17 spuisluizen en een schutsluis. Dit complex heeft in de eerste plaats een waterkerende functie. Daarnaast fungeren de sluizen als regelkraan voor de verdeling van de afvoer van Rijn- en Maaswater over de Nieuwe Waterweg en het Haringvliet.
B Waterkwantiteit en effecten op mens en natuur
Effecten van water voor op gezondheid
Wanneer een hoge rivierafvoer tot overstromingen leidt, heeft dat direct gevolgen voor de volksgezondheid. De waterbeheerders zorgen ervoor dat de waterkeringen in hun gebied voldoen aan de eisen. De veiligheidsnormen zijn vastgesteld in de Waterwet en een provinciale verordening (zie figuur 9.2). De economische waarde van het achterliggende gebied is mede bepalend voor de veiligheids¬normen. Zo moet voor dijkringgebied 14 de waterkering bestand zijn tegen een waterstand die gemiddeld 1 keer per 10.000 jaar voorkomt. De regionale keringen moeten bescherming bieden tegen waterstanden die eens in de 100-1000 jaar voorkomen.
Effecten van water op natuur
Hieronder volgen enkele voorbeelden van effecten van waterkwantiteit op natuur.
- De inrichting en het beheer van oevers/ watergangen is een heel belangrijke factor voor de ecologische waterkwaliteit.
- De inrichting van waterbergingsgebieden beïnvloedt de natuurontwikkeling. Zo bepaalde het Waterschap Hollandse Delta de natuurontwikkelpotentie van potentiële waterbergingsgebieden op Voorne-Putten (project Strype) en IJsselmonde.
- Er wordt natuurvriendelijk slootschoningsbeheer uitgevoerd. Natuurvriendelijk slootonderhoud is een vorm van onderhoud waarbij – naast de hydraulische aspecten – rekening wordt gehouden met de ecologie en de waterkwaliteit. Het doel ervan is de natuurwaarden te behouden en zo mogelijk te vergroten. Bij natuurvriendelijk onderhoud zijn onder meer van belang: de onderhoudsfrequentie, het tijdstip van onderhoud, de afvoer van het maaisel, de methode/materieel die zo min mogelijk de flora en fauna benadeelt en fasering in een gebied. Instrumenten zijn:
- KRW-maatregel om doelstelling goede waterkwaliteit te behalen
- flora- en faunawetgeving
- goed huisvaderschap
- maatschappelijk blik
- De aanleg van bufferzones (de zogenaamde agroranden) tussen akkers en het oppervlaktewater bevordert de agrobiodiversiteit en onderdrukt daarmee natuurlijke ziekten- en plagen. Hierdoor kan het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen worden teruggedrongen. Agroranden en biodiversiteit dragen volgens het Rijk bij aan het behalen van de ecologische doelen van de Europese kaderrichtlijn Water (KRW).
- Fluctuerend oppervlaktewaterpeil is in veel gevallen goed voor natuurontwikkeling (veel oeverplanten houden van een fluctuerend waterpeil).
- Door mineralisatie van veenbodem bij te laag peil nemen nutriënten en daarmee eutrofiering toe.
Relevante onderwerpen in het waterbeheer zijn:
- toetsing sterkte waterkeringen
- NBW-wateropgave (Nationaal Bestuursakkoord Water)
- goed peilbeheer.
De Waterwet schrijft een periodieke veiligheidstoetsing voor van alle primaire waterkeringen in Nederland. Hieronder vallen dijken, duinen en waterkerende kunstwerken. Hierbij wordt de veiligheid van de waterkeringen per dijkringgebied getoetst aan de norm in de Waterwet. In dit hoofdstuk water wordt hier niet verder op ingegaan.
Waterberging
Het klimaat verandert, de zeespiegel rijst, er staat vaker water op straat en ’s zomers is er meer droogte. In het westen van het land komt daar een dalende bodem bij. (Bijna-)overstromingen, wateroverlast en watertekort komen vaker voor. De waterhuishouding en waterverdeling in Nederland worden dan ook steeds belangrijker. Daarnaast willen we een goede kwaliteit van onze leefomgeving en het water, zodat we in dit Deltagebied kunnen blijven wonen, werken en recreëren. Kortom, water en ruimte raakt ons allemaal.
Bekend is dat veranderingen in klimaat het gebruik van de ruimte in Nederland gaan beïnvloeden, al is het nog onduidelijk hoe. Ook vanuit andere beleidsvelden wordt nagedacht over de ontwikkeling van diezelfde ruimte: meer natuur, meer huizen en voldoende open ruimte om te recreëren. Tegelijkertijd blijft de mobiliteit groeien. Binnen dezelfde ruimte zullen we dus in samenhang oplossingen moeten vinden voor overstromingen, wateroverlast en watertekort.
Vóór de 21ste eeuw werkten we in Nederland vooral aan duurzame bescherming tegen het water door dijkenbouw, bemalen en duinversterkingen en liet men de ruimte het water bepalen. In het water¬beheer van de 21ste eeuw komt daar een nieuwe kern bij: we geven het water nu ook de ruimte, waarbij het water de ruimtelijke ontwikkeling stuurt. Met andere woorden: door nu al ruimte voor water te reserveren, voorkómen we dat het water zelf ruimte neemt.
In visies over de ruimtelijke inrichting van gebieden (waterkansenkaarten/ waterstructuurplannen) vormen de waterbeheerders een basis voor overleg met andere overheden over de rol van water in de ruimtelijke ontwikkeling.
De watersystemen moeten zijn toegerust op de omstandigheden die in 2050 te verwachten zijn. Voor klimaatverandering en zeespiegelstijging geeft het rapport van de Commissie WB21 scenario’s (laag, midden en hoog). De commissie stelt voor uit te gaan van het middenscenario. Ervan uitgaande dat Nederland waterhuishoudkundig een achterstand heeft, kunnen we uiteraard niet tot 2050 wachten om die achterstand weg te werken. In de voorbereiding van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) gaan we ervan uit dat Nederland in 2015 een adequate waterhuishoudkundige inrichting heeft en vervolgens meegroeit met de zich verzwarende omstandigheden. Voor de waterhuishoudkundige inrichting is echter ruimte nodig, maar die ruimte is ook voor andere doelen nodig. Dat bepaalt de urgentie van de WB21-operatie. Het verklaart ook de zware nadruk op afspraken over de ruimtelijke aspecten van de waterhuishouding. Zo is in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken dat de waterbeheerders het watersysteem toetsen aan normen voor overstroming vanuit de watergang. Het watersysteem dient minimaal te voldoen aan de normen uit het NBW.
Om overstromingen te voorkomen, zorgen de waterschappen voor mogelijkheden om bij hevige neerslag het water bovenstrooms vast te houden. Dit kan bijvoorbeeld door de aanleg van beweegbare (of ‘slimme’) stuwen. De resterende wateropgave kan worden ingevuld door het graven van extra open water en/of door vergroting van de afvoercapaciteit.
Goed peilbeheer
Het beheren van waterpeilen behoort tot de primaire taken van de waterschappen. Op enkele uitzonderingen na hebben de waterschappen peilgebieden aangewezen, waarvoor peilbesluiten zijn vastgesteld. Deze peilbesluiten vormen het juridisch kader voor het peilbeheer. De peilbeheerder zorgt ervoor dat het waterpeil blijft binnen de vastgestelde marges ten opzichte van het in het peilbesluit genoemde streefpeil. Het streefpeil komt tot stand door weging van de verschillende belangen die in het gebied spelen.
Voor het beheer van de waterpeilen zijn diverse instrumenten voorhanden, zoals (geautomatiseerde) gemalen en stuwen en afsluitbare duikers. In diverse regio's is sprake van verschillend zomer- en winterpeilen. De gehandhaafde peilen worden, daar waar automatisering voorhanden is, continu geregistreerd. Deze automatische peilmetingen bevinden zich vaak aan het kunstwerk (gemaal, stuw, duiker). Op andere plaatsen worden met enige regelmaat peilschalen afgelezen en handmatig geregistreerd. Goede registratie van waterpeilen is nodig om verantwoording af te kunnen leggen over de mate waarin het waterschap erin slaagt de streefpeilen te handhaven. Daarbij is het ook van belang bij te houden waarom eventueel tijdelijk van het peil wordt afgeweken. Alleen met goede kennis van de problemen zijn immers adequate maatregelen te bedenken om de peilhandhaving verder te verbeteren.
D Waterkwantiteit en de leefomgeving
Als beheerder van het watersysteem zorgen de waterschappen ervoor dat er altijd voldoende water is. In de wintermaanden ligt de nadruk op het afvoeren van overtollig regenwater om overlast te voorkomen. In droge perioden wordt juist water vanuit de rivieren ingelaten, zodat het water in sloten en plassen op het juiste peil blijft. Voor het regelen van het waterpeil en het afvoeren van water beschikken de waterschappen over ingenieuze systemen van gemalen, stuwen en sluizen. Om het evenwicht in het watersysteem niet te verstoren, zijn regels vastgesteld in de Keur. De zorg voor voldoende – niet te veel en niet te weinig – water wordt steeds meer ook een zaak van de gemeente. Het is duidelijk dat het klimaat verandert en dat we vaker met korte maar hevige regenbuien te maken krijgen. Daarnaast daalt in zuidwest-Nederland de bodem gestaag én stijgt de zeespiegel, allemaal zaken die op bestuurlijk niveau extra aandacht vragen.
E Maatregelen waterkwantiteit
Bij maatregelen die waterbeheerders nemen om het watersysteem te verbeteren, is onderscheid te maken in maatregelen voor het beheren en verbeteren van de waterkeringen (dijken, duinen en kunstwerken), maatregelen binnen het taakveld zuiveren van afvalwater en watersysteemmaatregelen (taakvelden waterkwantiteit en waterkwaliteit). Voorbeelden van wat waterbeheerders kunnen binnen het taakveld waterkwantiteit, zijn:
- realiseren van voldoende waterberging
- goed peilbeheer
- creëren aan- en afvoer van water, voldoende doorstroming/ doorspoeling
- maatregelen in relatie tot de ruimtelijke inrichting van het gebied.
