Ga direct naar: Hoofdmenu

Ga direct naar: Submenu

Ga direct naar: Inhoud

Ga direct naar: Zoeken

Ga direct naar: Gerelateerde items

Ga direct naar: Meta navigatie

U bent hier

Inhoud

4.4 Maatregelen

De gemeenten werken, al dan niet in samenwerkingsverband, aan een groot aantal projecten om energieverspilling tegen te gaan en duurzame energiebronnen (beter) te benutten. Zij hebben hun krachten gebundeld in de regionale Klimaatagenda. Ook treffen zij besparingsgerichte maatregelen voor industrie, verkeer en vervoer, gebouwen en midden- en kleinbedrijf. Maatregelen op het gebied van hernieuwbare energie leveren al wel iets op, maar nog niet genoeg. Tot slot wordt regionaal hard gewerkt aan maatregelen om fossiele bronnen zo efficiënt mogelijk te gebruiken.

4.4.1 Regionaal en lokaal beleid
Regionaal zijn er veel maatregelen in uitvoering en deels nog in ontwikkeling. Zo is de stadsregio Rotterdam in 2009 van start gegaan met de regionale Klimaatagenda om te werken aan de stadsregionale CO2-reductiedoelstelling. Om de voorgenomen forse reductie van CO2 in 2025 te realiseren, hebben de regiogemeenten de krachten gebundeld in de regionale Klimaatagenda en werken zij aan een groot aantal samenwerkingsprojecten die energieverspilling tegengaan en duurzame energiebronnen benutten. Daarnaast voeren zij eigen lokale klimaatprojecten uit. Voor de gemeente Rotterdam bijvoorbeeld is vrij recent het Programma Duurzaam vastgesteld. Voor de financiering van de regionale Klimaatagenda hebben alle regiogemeenten in 2009 een SLOK-uitkering aangevraagd (Stimulering Lokale Klimaatinitiatieven, een doeluitkering van het Rijk). Van deze uitkering draagt iedere regiogemeente 1/6 deel bij aan de uitvoering van de samenwerkingsprojecten. Daarnaast heeft de stadsregio zelf voor de periode tot en met 2012 € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld om de regiogemeenten te ondersteunen. Hoewel de uitvoering van de meeste projecten in 2010 is gestart, zijn de effecten op de CO2-uitstoot nog niet zichtbaar.

De provincie stimuleert en faciliteert in samenwerking met gemeenten en marktpartijen diverse projecten in het kader van het programma ‘Stroomversneller’, waarin de provincie als regisseur optreedt bij grootschalige of ingewikkelde projecten.

Ook de ruimtelijke ordening kan een bijdrage leveren door gebiedsenergie- of gebiedsduurzaamheidseisen te stellen. Een ander middel is het maken van een energievisie, voor een wijk of gemeente.

4.4.2 Energiebesparingsmaatregelen
De besparingsgerichte maatregelen betreffen industrie, verkeer en vervoer, gebouwen en midden- en kleinbedrijf.

Industrie
De deelnemende partners aan het project industriële verbetering van de energie-efficiency in de regio achten informatie over de resultaten van groot belang om de inspanningen voor energiebesparing door de industrie in het RCI te kunnen monitoren en evalueren. Deze inspanningen zijn onder meer verwoord in Deltalinqs Energie Forum, Visie & Speerpunten 2011 – 2014. Vooral via het speerpunt Co-siting Rijnmond wil het Havenbedrijf Rotterdam een krachtige impuls geven aan deze efficiencyverbetering, bijvoorbeeld door gezamenlijke stoomopwekking, WKK en (rest)warmtenetwerken.

Verkeer & vervoer
De belangrijkste besparingen op het gebied van verkeer en vervoer zijn te bereiken door inspanningen op het gebied van duurzame mobiliteit via vervoersmanagement en door het gebruik van (schoner) openbaar vervoer te bevorderen.

De DCMR Milieudienst Rijnmond heeft in 2007 het initiatief genomen bedrijven in de regio te helpen bij het zoeken naar mogelijkheden om de efficiëntie van het bedrijfsgebonden goederen- en personenvervoer te verhogen. Hiervoor is het project Vervoermanagement bij bedrijven in de regio Rijnmond gestart. Daarbij zijn tot eind 2008 in totaal dertig bedrijven ondersteund bij het opstellen van een vervoerplan met daarin concrete verbetermaatregelen en bijbehorende effecten. Hiertoe zijn samen met het bedrijf de kansen onderzocht op reductie van transportkilometers en -kosten, in combinatie met vermindering van de verkeersemissies, zoals fijn stof (PM10), NOx en CO2. Eind 2010 heeft de DCMR een monitoringproject uitgevoerd om na te gaan in hoeverre de beoogde maatregelen in de vervoersplannen van de dertig bedrijven daadwerkelijk zijn gerealiseerd, inclusief de hiermee samenhangende effecten.

(Klik voor de tekst bij de indicatoren op de afbeelding.)

Op transportgebied liggen er mogelijkheden in het optimaliseren van fietsvervoer, eventueel in combinatie met openbaar vervoer. Zo zorgen aanleg van doorgaande fietsverbindingen, gebruik van lage hellingshoeken bij tunnels, viaducten en stallingen en rekening houden met stallingruimte voor fietsen voor een groter aandeel fiets in verplaatsingen. Omgekeerd beperkt bijvoorbeeld het centraliseren van parkeerruimte het autogebruik. De modaliteitkeuze wordt ook bepaald door de plaatsing van functies ten opzichte van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen. Door hiermee bij het maken van een ruimtelijk plan rekening te houden, beïnvloedt het bevoegd gezag de vervoerskeuze voor tientallen jaren. De te behalen reductie is weliswaar niet groot, maar strekt zich wel over jaren uit. Vooral als later andere ontwikkelingen het autovervoer sterk beperken, levert dit een voordeel op in gebieden die openbaarvervoer- en fietsgericht zijn aangelegd.

Midden- en kleinbedrijf
Bedrijven en instellingen worden in de regio Rijnmond sectorgewijs aangesproken op hun wettelijke plicht om rendabele energiemaatregelen te treffen. Het betreft ruim 4200 locaties met een jaarlijks energieverbruik van meer dan 50.000 kWh of meer dan 25.000 m3 gas. Een combinatie van stimulering en regulering (verplichting op grond van de Wet milieubeheer) leidt ertoe dat zowel koplopers als niet-koplopers concrete maatregelen nemen. Het doel van de milieudoelenaanpak is om bij deze bedrijven en instellingen vanaf 2012 op jaarbasis 5% CO2 ofwel 110 kton CO2 te reduceren. Over 2010 zijn nog geen reductiecijfers beschikbaar, de eerste vervolgcontroles starten in 2011. De geschatte CO2-reductie die wordt bereikt wanneer alle maatregelen worden getroffen is ongeveer 37 kiloton CO2 per jaar. In de komende jaren wordt duidelijk wat de echte besparing is.

4.4.3 Maatregelen hernieuwbare energie
Hernieuwbare energie is het tweede spoor van de trias energetica. Naarmate meer hernieuwbare energie voorhanden is hoeft minder een beroep gedaan te worden op fossiele brandstoffen. In de indicator hieronder staat het aandeel duurzame energie dat binnen de regio Rijnmond wordt opgewekt. Om de doelstelling van 20% duurzaam energiegebruik te realiseren, is nog een grote inspanning nodig.

(Klik voor de tekst bij de indicator op de afbeelding.)

Een van de maatregelen op het gebied van hernieuwbare energie is het vergroten van het aandeel gecertificeerde biobrandstoffen van de nieuwe generatie en de bijstook van biobrandstoffen in energiecentrales.

Windenergie
De bedoeling is dat eind 2011 alle regiogemeenten in de regio een convenant windenergie tekenen (excl. het Havengebied waarvoor al een convenant is). In het convenant worden het regionale ambitieniveau qua hoeveelheid te realiseren vermogen windenergie vastgelegd en concrete locaties benoemd.

(Klik voor de tekst bij de indicator op de afbeelding.)

4.4.4 Maatregelen efficiëntie gebruik fossiele brandstoffen
Om fossiele bronnen zo efficiënt mogelijk te gebruiken, wordt op dit moment gewerkt aan de volgende maatregelen:

  • afvang en opslag CO2 (bedrijven en centrales);
  • het gebruik van warmtekrachtkoppeling (WKK) (centrales en glastuinbouw);
  • warmte-koudeopslag (WKO) (woningen, bedrijven en kantoren);
  • kolenvergassing (centrales);
  • stoom- en gascentrale (STEG) en andere rendementverhogende technieken zoals aangepaste brandstofmixen, minder kolen en meer aardgas.
In deze paragraaf zullen enkele van deze technieken nader uitgewerkt worden.

Ondergronds opslaan van CO2 (Carbon Capture and Storage, CCS)
Het afvangen, transporteren en ondergronds opslaan van CO2 is noodzakelijk om Rotterdamse en Nederlandse klimaatdoelstellingen te halen. In 2015 zal in totaal 2,4 Mton CO2 per jaar worden hergebruikt (onder meer in glastuinbouwgebieden) of ondergronds opgeslagen. Tussen 2015 en 2020 volgen grootschalige demonstratieprojecten voor de toepassing van CCS op volledige, industriële, schaalgrootte. Tegen 2025 zal CCS ook bij de bestaande industrie worden toegepast. Uiteindelijk zal dit leiden tot een reductie in CO2-uitstoot van 17,5 Mton per jaar. De kolencentrales van E.ON en Electrabel die nu worden gebouwd, worden uitgerust met CCS.

Op dit moment zijn er in de regio Rijnmond enkele grootschalige demonstratieprojecten in voorbereiding:

  • de afvang van CO2 bij de waterstoffabriek van Air Liquide,
  • de ontwikkeling van een CO2-terminal door het CINTRA consortium van Antony Veder, Air Liquide, VOPAK en Gasunie. Het consortium ontwikkelt een CO2-terminal. Met het realiseren van de terminal wordt verscheping van grote hoeveelheden CO2 naar lege olie- en gasvelden mogelijk.
  • ROAD, gezamenlijk project E.ON en Electrabel voor het realiseren van een grootschalige demo voor het afvangen van CO2 bij een kolencentrale;
  • R3CP, gezamenlijk project van Stedin, Havenbedrijf Rotterdam, OCAP en Gasunie voor het opzetten van een regionaal CO2 collectienetwerk.
Het staken van het ondergrondse CO2-opslagproject in Barendrecht heeft aangetoond dat het op dit moment moeilijk is draagvlak te krijgen voor het opslaan van CO2 in de diepe ondergrond op land. Daarom heeft het Rijk besloten vooralsnog te volstaan met opslag in de diepe ondergrond van de Noordzee. Het blijft noodzakelijk met burgers te communiceren over de noodzaak voor het toepassen van CCS om draagvlak te krijgen. Het slagen van projecten die gebruik maken van opslag in de diepe Noordzeebodem zal hier aan bijdragen.

Warmtekrachtkoppeling in de glastuinbouw
Glastuinbouw gebruikt op grote schaal warmte voor de kassen en elektriciteit voor belichting. Deze twee ‘grondstoffen’ spelen een rol bij het verduurzamen van de glastuinbouw. De afgelopen jaren zijn deze twee ‘grondstoffen’ vooral geleverd door warmtekrachtkoppeling (WKK), die inmiddels grootschalig wordt toegepast. CO2 dat in de rookgassen van de WKK zit, wordt nauwelijks benut omdat in die rookgassen, ondanks rookgasreinigers, voor planten ongewenste stoffen in een te hoge concentratie aanwezig zijn. WKK staat echter onder druk. Dit komt doordat WKK gas gebruikt en elektriciteit levert aan het net, terwijl gas duurder wordt en elektriciteit goedkoper. Terugkeer naar de oude situatie van gasketels is niet gewenst, want daarbij wordt hoogwaardig gas verspild; dat gas kan beter gebruikt worden voor toepassingen waarbij écht hoge temperaturen noodzakelijk zijn.

Opties voor duurzame warmte zijn mede dank zij de hoge gasprijs concurrerend met een eigen ketel of WKK. Er zijn op dat vlak positieve ontwikkelingen. Er is een grote vraag ontstaan bij de glastuinbouw naar geothermieconcessies. Onlangs is in Lansingerland een tweede geothermische bron in gebruik genomen. Voor het tuinbouwgebied Vierpolders is aanvankelijk gekoerst op een restwarmtelevering vanuit de Nerefco-raffinaderij. Nu dat niet doorgaat, wordt de mogelijkheid voor een andere duurzame warmtebron onderzocht.

Deze duurzame warmteopties krijgen echter alleen groot potentieel, als er een combinatie te maken is met CO2-levering. Er zijn twee leveranciers van CO2: OCAP met CO2 uit de industrie, en E.ON, dat behandeld rookgas uit de RoCa-centrale levert aan het Oostland. Er zijn in 2010 een aantal redenen om CO2-levering aan de glastuinbouw te monitoren. Dit zijn leveringsproblemen en economisch rendement bij OCAP en E.ON.

Warmte-koudeopslag
Gebouwen die ook koude gebruiken, worden tegenwoordig vaak uitgerust met een warmte-koudeopslag in de bodem, een WKO. Dit kan in de hele Rijnmond, zie hoofdstuk 3, Bodem. Er zijn echter plekken waar zoveel warmte en koude wordt gebruikt dat de ruimte in de bodem ontoereikend is. Juist in deze situatie is ruimtelijke regie nodig om te zorgen voor een optimale warmte- (en koude) infrastructuur. De gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland werken aan een gezamenlijk besluit om regie mogelijk te maken.

Gebruik restwarmte
De gemeente Rotterdam en de provincie willen restwarmte nuttig gebruiken voor verwarming van de gebouwde omgeving. De gemeente Rotterdam heeft om die reden in zijn bouwverordening een warmteaansluitplicht opgenomen. Dit werpt een belemmering op voor gasgestookte verwarmingsketels. Ook heeft Rotterdam een warmtebedrijf helpen oprichten dat de aansluiting tussen industrie en stad – naar verwachting in 2013 – gaat realiseren. Aansluiting van nieuwbouw en bestaande bouw voorkomt een aanzienlijke hoeveelheid fossiele brandstofstook. De resulterende emissiebeperking zal, op basis van de te realiseren warmte-uitkoppeling bij AVR Rozenburg, uiteindelijk ca. 70 kton per jaar bedragen.

© DCMR. Content is onder voorbehoud. vrijdag 18 mei 2012 6:07:36