2.6 Maatregelen
In deze paragraaf staan bronmaatregelen en blootstellingsmaatregelen beschreven voor het verbeteren van preventie van afval, de verwerking ervan en het beheer van huishoudelijk afval en zwerfafval. Een deel van deze maatregelen wordt nog niet uitgevoerd. De regio heeft geen regionaal afvalbeleid. De afzonderlijke gemeenten hebben lokaal beleid vastgelegd in de afvalstoffenverordening. Informatie hierover staat op deze website. Klik hier voor achtergrondinformatie.
2.6.1 Preventie van ontstaan van afval
Wat niet geproduceerd wordt, hoeft niet te worden afgedankt. Om verschillende redenen kiezen bewoners er echter veelvuldig voor om producten af te danken ook al is de technische en/of economische levensduur ervan nog niet verstreken. Een maatregel om hier invloed op uit te oefenen is de brievenbusstickers om kenbaar te maken dat men geen huis-aan-huisbladen en/of reclamefolders wenst.
2.6.2 Duurzaam inkopen
Duurzaamheid is al enkele jaren een belangrijk criterium voor inkopen van gemeenten. De komende jaren zal het belang ervan alleen nog maar toenemen vanwege wettelijke eisen en maatschappelijke relevantie. Voor de inkoop van afvalverwerking blijkt het lastig te bepalen hoe een gemeente optimaal aan deze duurzaamheidsambitie kan bijdragen. Om dit goed te kunnen beoordelen, heeft een gemeente namelijk inzicht nodig in de Life Cycle Analysis (LCA) en Total Cost of Ownership (TCO), maar hier is vaak veel geld mee gemoeid. Gemeenten zouden ondersteund kunnen worden bij het formuleren en schrijven van inkoopcriteria, om te voorkomen dat inkoopcriteria leiden tot de inkoop/aanschaf van een dienst of product dat slechts marginaal bijdraagt aan duurzaamheid.
Gemeenten streven ook naar duurzame brandstoffen voor de vuilniswagens. Zie hiervoor het hoofdstuk 4, Energie.
2.6.3 Hergebruik/co-siting/cradle to cradle
Hergebruik
Gescheiden afvalinzameling is essentieel om de emissies door afvalverwerking en de productie van nieuwe producten over de gehele keten te minimaliseren. Bewoners van de regio Rijnmond scheiden hiertoe thuis of op de afvalbrengstations hun afval. Gemeenten en afvalinzamelaars moeten kiezen tussen de gescheiden inzameling of een integrale inzameling van afval gevolgd door mechanische nascheiding. Afvalscheiding in grootstedelijk gebied blijft erg moeilijk. De inzamelcijfers blijven veelal (ver) achter op die van minder sterk verstedelijkt gebied. Om die reden zijn in het eerste Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) doelstellingen voor gescheiden inzameling gedifferentieerd naar stedelijkheidsklasse.
Hoewel gedragsbeïnvloeding door communicatie het meest wenselijk is, ontwikkelen de mogelijkheden van mechanische afvalscheiding zich in rap tempo. Beide inzamelopties (integrale of gescheiden inzameling) komen hierdoor procentueel steeds dichter bij elkaar te liggen.
| De gemeente Rotterdam wil voor de scheiding van kunststof verpakkingsafval, en mogelijk ook andere deelstromen uit het restafval, overschakelen op nascheiding. Hierbij worden kunststoffen door een mechanische scheidingsinstallatie uit het integraal ingezamelde restafval gefilterd. Voor het sorteren van bouw- en sloopafval en grof huishoudelijk afval gebeurt dit al jaren. Uit onderzoek van Wageningen Universiteit naar het nascheidingsprocess van het Rotterdamse huisvuil blijkt dat de gemeente Rotterdam met nascheiding veel meer kunststof zou kunnen recyclen dan de Rotterdammers zelf, thuis, gescheiden kunnen houden. Er is echter nog geen nascheidings-installatie in de regio beschikbaar. De gemeente Rotterdam onderzoekt hoe dit zo snel mogelijk georganiseerd kan worden. |
Co-siting
Co-siting houdt in dat een bedrijf afval van een ander bedrijf als waardevolle grondstof benut. Ook kunnen bedrijven die dicht bij elkaar liggen, elkaars overtollige energie gebruiken. Steeds meer bedrijven in het havengebied passen co-siting toe, zo is onder meer te lezen in het Mainportmagazine van mei 2010, waaronder Air Liquide, Caldic, Eneco Energie, E.ON, Vopak en Voridian Indorama Holding Europoort B.V. De deelnemende bedrijven zijn verenigd in een co-sitingprogramma (met stoomlevering). Meer informatie vindt u in het hoofdstuk Energie en op deze website. Toelichting co-sitingprogramma.
Cradle to Cradle
Het Cradle-to-Cradleconcept is een innovatieve kijk op duurzaam ontwerpen (McDonough en Braungart, 2002). Het concept hierachter is: afval = voedsel. Alle gebruikte materialen moeten – na hun leven in een product – zonder kwaliteitsverlies nuttig kunnen worden ingezet in een ander product. Alle restproducten moeten hergebruikt kunnen worden of milieuneutraal zijn. Vanuit die gedachte hoeft consumptie dan niet afgeremd te worden. Ecodesign (Ontwerp voor Recycling) is hierbij essentieel. Ecodesign maakt het mogelijk de milieu-impact van producten vanaf de ontwerp- en ontwikkelingsfase te beperken. Eisen hiervoor moeten in aanbestedingen worden meegenomen. De basis voor Ecodesign ligt in een Europese richtlijn (Ecodesign 2009/125/EG); via deze richtlijn kan de Europese Commissie eisen stellen aan het ecologisch ontwerp van energiegerelateerde producten. Zie voor meer informatie: www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/ecodesign.
2.6.4 Milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering
Afvalfonds
Sinds 2009/2010 krijgen gemeenten de kosten die zij maken voor de gescheiden inzameling van verpakkingsafval, vergoed vanuit het Afvalfonds. Consumenten betalen verpakkingenbelasting over alle verpakte goederen via de aanschaf van deze producten. Het verpakkende bedrijfsleven draagt deze af. Klik hier voor meer informatie afvalfonds.
Vergunningverlening
Vergunningen worden o.a. opgesteld om de toenemende milieudruk te regelen. Via voorschriften worden regels opgelegd vanuit nationale richtlijnen om op maat de effecten van de activiteit van het desbetreffende bedrijf in te perken. In Nederland kan de gemeente of de provincie (voorheen Wm-) omgevingsvergunningen verlenen. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) kunnen inrichtingen te maken hebben met een vergunningsplicht, een meldingsplicht, de algemene regels van het Activiteitenbesluit, een agrarische AMvB of een combinatie daarvan. Op deze site staat welke bedrijven die voor het milieuthema afval relevant zijn, vergunningplichtig zijn.
Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) kunnen inrichtingen te maken hebben met een vergunningsplicht, een meldingsplicht, de algemene regels van het Activiteitenbesluit, een agrarische AMvB of een combinatie daarvan. Klik hier voor achtergrondinformatie over de vergunningplichtige bedrijven in het kader van het milieuthema afval.
Handhaving
Handhaving is gericht op controle van de wettelijke voorschriften en op voorlichting, herstel, ontmoediging en straf. In het LAP 2 zijn afspraken gemaakt gericht op verbeterthema’s voor het toezicht in de afvalsector: betere focus (illegaliteit en hoofdzaak), level playing field3, gebruik van effectieve en efficiënte toezichtmethoden waaronder systeemtoezicht, deskundige toezichthouders en samenwerking tussen toezichthouder en bedrijven waarop toezicht wordt uitgeoefend. Voor deze verbeterthema’s zijn tussen 2011 en 2015 eindbeelden vastgesteld.
Havenafvalplan
Op grond van internationale wetgeving4 hebben alle zeehavens de verplichting om voldoende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval te faciliteren. Meer dan 35.000 zeeschepen per jaar kunnen alle soorten afval en ladingsresiduen in de havens van Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen (en in Moerdijk en Dordrecht) afgeven. Ter voorkoming van verontreiniging van de zee- en kustwateren faciliteren de zeehavens in het Rijnmondgebied Havenontvangstvoorzieningen (Hov), waar scheepsafval kan worden afgegeven. In het Havenafvalplan is beschreven op welke wijze de afgifte van afval plaatsvindt. Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft het Havenafvalplan 2010 goedgekeurd op 18 maart 2010. Het plan is maximaal 3 jaar geldig.
2.6.5 Ruimtelijke maatregelen
Bovengronds versus ondergronds Om de stad schoon en veilig te krijgen en te houden, wordt er in veel gemeenten gediscussieerd over afvalcontainers in het straatbeeld. Een probleem voor gemeenten die hebben gekozen voor wijkcontainers en/of ondergrondse ver- en inzameling, is echter dat personen die ‘sluikstorten’ en grofvuil storten, bijna altijd anoniem zijn. Daarnaast plaatsen deze gemeenten in het kader van de inzameling van plastic afval (plastic heroes) nu ook bovengrondse containers voor de inzameling van plastic. Dit geeft extra afvalruimte, maar leidt ook tot een zekere horizonvervuiling. Ook huis-aan-huisinzameling van plastic heeft nadelige effecten: door het lage soortelijk gewicht van plastic verwaaien de plastic zakken en ontstaat er extra zwerfvuil. Door verandering van de samenstelling van het huishoudelijk afval wordt op termijn discussie verwacht over de vraag hoe de gemeente omgaat met restafval en hoe dit het best te plaatsen is in de buitenruimte. Een continue voorlichting aan de inwoners over de inzameldata voor de gescheiden in te zamelen plastic afvalzakken is hiervoor noodzakelijk.

